| Aardappelen woren gepoot in ruggen. Deze ruggen zitten op een afstand van 75 centimeter uit elkaar. Er worden vier rijen tegelijk gepoot. |
|
|
De pootaardappelen worden door zogenaamde bekers op een lopende band uit de voorraad in de bak 'geschept'. De snelheid van deze band bepaald de pootafstand. Deze band laat de poters ondereen vallen in een geul, die het kouter heeft gemaakt. De schijven achterop dekken de poters toe met grond. |
|
De pootafstand van de aardappelen in de rug varieert van ongeveer 25 centimeter tot 40 centimeter, afhankelijk van de soort en de maat van het pootgoed. Hoe groter de knol, hoe meer uitlopers deze knol krijgt, dus hoe meer nieuwe knollen eraan groeien. Hoe meer ruimte deze nieuwe knollen hebben in de rug, hoe groter ze worden.
De pootafstand en de maat van de poters hebben dus grote invloed op de maat en hoeveelheid van de nieuwe knollen. |
|